Ecuador, Stapgekte in Quito en het betoverende Galapogus!
De avond voordat ik naar de Galapogus ging ben ik nog even met wat mensen van het hostel wezen stappen. Omdat ik het vliegtuig (die vertrok rond een uurtje of 9 in de ochtend) niet wou missen, ben ik rond middernacht naar het hostel vertrokken. Dat was ook het plan van Andrew (die hetzelfde vliegtuig zal nemen als ik), echter het laatste biertje werd bij hem iets te vaak het laatste biertje. Uiteraard versliep hij zich en toen ik hem s’ochtends wakker wou maken kan heb bij hem niet doordrengen dat we echt weg moesten. Terwijl de taxi buiten stond vond hij dat hij nog wel even wat noodles kon warm maken. Dat ging dus even niet door en op naar het vliegveld. Dat ging redelijk voorspoedig en we kwamen rond een uurtje of 11 op de Galapogus eilanden terecht. Even voor wie de eilanden niet kennen; De Galapogus eilanden staan bekend om hun unieke flora en fauna. Praktisch 50 procent van de flora en fauna is endermic (die soorten komen dus alleen daar voor) en het is een van de weinige plekken ter aarde waar de dieren niet bang voor je zijn. De dieren zijn namelijk nooit aangevallen door mensen en dus is zo’n dier ook niet bang voor je. Terug naar het verhaal. Op het vliegveld werd ik opgewacht door David (de gids) en de rest van de mensen (10 mensen) die mee zouden gaan op deze 8daagse tocht. De voortaal werd al snel nederlands, omdat er maar 2 Duitsers meegingen en voor de rest alleen Nederlanders en Vlamingen. De boot waar me mee gingen was een oud Deens (houten) zeilschip en dus helemaal iets voor mij. Oke, het was een beetje krap met 6 bemanningsleden en 10 gasten, maar het was in ieder geval niet zo’n lomp wit gevaarte. Direcht gingen we op weg om de eerste beesten te spotten. Nou daar hoef je geen moeite voor te doen! Toen we eenmaal met een kleine bootje op weg waren naar de mangroves, kwamen we al vele vogels, zeeschildpadden en roggen tegen. En zelfs al had de pelikaan bijvoorbeeld jongen, wegvliegen deed hij niet. Hij keek je gewoon schaapachtig aan en ging gewoon door met voeren van haar jongen. Terwijl we door het struikgewas voeren kon je de zeeschildpadden zachtjes onder je door zien zwemmen. De zeeschildpadden zitten daar meestal, zodat de haaien niet bij ze kunnen komen. Na het rondje door de mangroves gingen we nog even zwemmen. Nou ja we, alleen ik en de duitse jongen zwommen rondjes om de boot. Ondanks dat het water niet erg warm was kon je heerlijk zwemmen door het helderblauwe water. Vanaf de boordrand duiken is trouwens ook een aanrader. De eilanden liggen mijlenver van elkaar weg en daarom voeren we s’nachts over de Grote Oceaan! Voorover, achterover, links, rechts,het schip voer met volle kracht naar het eiland Floreana. Dat velen meer van het “vaste voeten op de grond gevoel”‘ waren bleek wel uit het feit dat iedere nacht jan en alleman het bed verkozen boven het wiebelende dek. Behalve onze gepensioneerde “Heineken” man, was iedereen of hondsberoerd of uitgeput van het niet kunnen slapen. Aan het eind van de avond zat ik met een biertje te genieten van de rust en de ruimte om me heen. Of ik hielp Henry (bemanninglid / ober) met het besturen van het schip. Al pratend over voetbal, vrouwen en z’n werk moest je jezelf vasthouden op het stoeltjes anders schoof je zo de boordrand over. Schommeld droom je weg over wat je allemaal al het meegemaakt op je reis. Over het aantal dieren dat ik gezien heb, kan ik kort zijn, dat zijn er echt ongelovelijk veel. Je kon rustig vanaf 5 cm een foto nemen van een leguaan, hagedis, havik, schildpad, etc. Daarnaast kon je ook veel dingen zien gebeuren. Albatrossen die elkaar verwennen, een Jan van Gent die een vrouwtje probeert te verschieren, een babyzeeleeuw die een doorgeslikt visje uitspugd, een Jan van Gent met haar kindje, echt alles gebeurde letterlijk voor je voeten. Elke dag liep je door een dierentuin, maar dan leuker. Bijna elka dag gingen we ook snorkelen, hierdoor zag je prachtige vissen, roggen, zeeschildpadden, puignuins, zeeleeuwen en zeeleguanen. Een keer konden we met de babyzeeleeuwen spelen. Deze stonden ons al op te wachten en toen we aan het snorkelen kwamen ze er al snel aan. Rondjes draaien, onder je door schieten en rechtstreeks op je af zwemmen. Ontzettend leuk, als was dat laatste ook wel een beetje spannend omdat je het gevoel hebt dat hij tegen aan zal zwemmen. Echter op het allerlaatste moment schiet hij onder je door. De wonderschonen natuur mocht er ook wezen. De eilanden zijn allemaal oomhooggeschoten vulkanen en dat levert grappige vormen op. Naast allemaal gestolde lava figuurtjes had je ook lava tunnels. Kleine, maar ook grote waar je door heen kon lopen. De cruise van 8 dagen vlogen dan ook om! Omdat ik er toch was had ik besloten om er nog 3 dagen aan vast te plakken. In die drie dagen ben ik naar Isabella gegaan om vanaf daar de grootste krater (met een omtrek van 10 km) van de wereld te zien. In de boot (een vliegensvllugge speedboot) er na toe zagen we in de verte ineens een walvis opspringen. Snel erheen, echter helaas was de vogel al weer gevlogen. Eenmaal aangekomen ben ik iemand van Malta en een Israeler opgetrokken. Een dag gingen we ter paard na de krater (en een actieve vulkaan). Die paarden waren echter niet echt tam te noemen en al snel gingen we in galop erna toe. Na het wat onprettig gedeelte van het dagtripje gingen we naar het, na rottende eieren stinkende, sulfaat vulkaan lopen. Dat stonk echt zo erg dat je gevoel had dat je in een brandend huis loopt. De twee laaste dagen op de eilanden heb ik nog haaien gezien en heb ik een dag lekker op het strand gezeten. Terug naar Quito, en het gezellige hostel, “The Secret Garden”. Daar had ik na 11 dagen alleen maar natuur, om drie dagen te chillen. Lekker eten op het dakterras, stappen in het danscafe (met een leuke mix tussen Latijns en Internationale muziek), naar de sauna en wat lezen. In die drie dagen zat ik ook nog een beetje te twijvelen over hoe ik terug zal gaan naar Lima. Ging ik de jungle nog in of ging ik door de bergen naar Lima. Door de onzekerheid van het naar de jungle gaan (je kan daar namelijk best behoorlijk lang vast zitten), besloot ik het laatste te doen. Op naar Vilcabamba, een klein dorpje tussen de bergen. Het dorpje staat bekend om de bron van de eeuwige jeugd. Daar was het mij niet om te doen, maar wel om de vele watervallen die daar in de buurt waren. Samen met twee Israelers en een Amerikaanse zijn we na een 25 meter hoge waterval gelopen die zich tussen de landerijen bevond. Dat Amerikanen geen kaas hebben gegeten hebben van hiken bleek andermaal toen ze met slipers de toch wou doen. Dat het niet werkt wel al snel duidelijk toen we door kleine modderachtige bergpadjes ons moesten voortbewegen. Dus slippers uit en dan maar met blote voeten door de dreg. Om de waterval te bereiken moesten we onder een hek door en al glijend een pad naar beneden. En toen was daar de waterval…in een soort kloof met wilderige bebossing aan beide kanten en de ijskoude waterval in het midden. Natuurlijk moesten we onder de waterval gaan staan, wat kippevel en rode plekken opleverde. Het water kwam zo hard na beneden dat je gevoel had dat iemand steeds op je nek probeert te springen. Wel lachen natuurlijk en gelukkig konden we op tijd terug zijn voor het avondeten bij het hostel. Het hostel zelf was ook geweldig. We waren bijna de enige gasten en het was een waar amusementspaleis. Je had een sauna, zwembad, jacuzzi, filmhok, poelcentrum, restaurant, messagesalon en basketbalveld. Dat zorgde voor een hoop pret, vooral in de jacuzzi. Een avond zaten we met z’n vieren erin totdat de eigenaar met z’n vriendin erbij kwam zitten. Muziek hard, wat sterke drank en ontzettend veel schuim zorgde voor een jolige sfeer. Je begreep dat ik me hier wel wat daagjes vermaakt heb. Na Vilcabamba ging ik naar de grens met Peru. Over de bergen is dat een hele toer. Met de 1e bus kwamen we direct in de problemen omdat (door regenval) de weg was verspred door brokstukken en zand. Iedereen bleef heerlijk rustig (inclusief mezelf) omdat het altijd wel weer goed komt. En ja hoor na een stief half uurtje kwam de bulldozer al aanrijden. Effe wat heen en weer geschep en we konden weer door. In het plaatsje Zumba wat gegeten en toen moesten we het laatste stuk doen met een open truck. Gek genoeg kan je het houten bankje en het de hobbels wel waarderen. Het heeft z’n charme en haast heb je toch niet. De grens is een rivier en aan de ander kant van de brug kon ik met een taxi/bus (2x) naar een plaastje waar ik kon overnachten. De dag erop na Chachapoyas waar een pre-inca fort ligt. Dit fort ligt, net als Machu Pichu, op een berg met dit verschil dat dit fort meer in tact is gebleven. Ook is het gelukkig niet zo toeristisch, wat als voordeel heeft dat je niet overal mensen ziet. De flora en fauna is niet weggehaald omdat dat de boel uit elkaar zal vallen. Dit heeft geeft een mooie combinatie tussen historie en natuur. Het fort is het laatste wat ik echt gedaan heb voordat ik terug ging na Lima. In Lima soeveniers gekocht en op de zwarte markt heb ik nog wat dvd/cd’s en een mooie rugzak meegenomen. En aan alles komt een eind, ook aan deze schitterende reis. Een reis wat alles bracht wat ik ervan had voorgesteld, ruige natuur, gastvrije mensen, avontuurlijke medereizigers, dolkomische situaties, historisch monumenten, corruptie, maar bovenal het gevoel van vrijheid, dromen en oneindig genieten. Een gevoel dat je eigenlijk alleen kan hebben als je weet dat thuis weer vele mensen hebt die het leven zo mooi maken!